12. Pacemakerbehandling

 · 1. Implantierbares System mit einer Schrittmacher-Einrichtung und einer Kardio­versions-Einrichtung zur Detektierung abnormaler Herzschlagsverhältnisse durch Erfassung der elektri­schen Aktivität des Herzens und zur entsprechenden Stimulierung des Herzens, dadurch gekennzeichnet,daß eine Einrichtung zur Erfassung der.

Ventrikkelpacing som hemmes av spontan ventrikkelaktivitet. Kies de knop Bradyparameters op de werkbalk met hulpprogramma s. De gebruiker moet de knop Gegevens opslaan kiezen om de gegevens op te slaan in de pacemaker. De Nullijn gemiddelde op lange termijn volgt het verloop van het gemiddelde op korte termijn gemeten over een tijdinterval van 4 uur.

Have a question?

Hysterese Search hysterese (Rate hysterese) forlengelse av første escape intervall Søk efter egenrytme Tillater et litt lenger intervall før pacing i LRL, eller i RDR modus Efter et bestemt antall sekvenser økes escape intervallet for å tillate egenrytme RDR Rate drop response Ved signifikant fall i hjertefrekvens aktiveres pacing i en høyere frekvens for et programmert tidsrom URL /USR.

Aritmielogboek en Opgeslagen EGM-gegevens zullen niet worden opgeslagen de eerste 2 uur nadat de lead tijdens de implantatie in de kop werd ingebracht. Plaats de pacemaker in de subcutane implantatiepocket. Indien de stimulatie unipolair is, dient u er zeker van te zijn dat er permanent contact is tussen de pacemaker en het subcutane weefsel. Controleer de werking van de pacemaker met een ECG. De lead opnieuw testen indien nodig.

Onvoldoende signalen kunnen op een mogelijk losgekomen lead wijzen, waardoor de lead opnieuw moet worden gepositioneerd. Fixeer de pacemaker in de pocket. Gebruik de fixatieopening aan de bovenkant van de pacemaker om de pacemaker in de subcutane pocket vast te zetten.

Dit verbetert betrouwbare MV-detectie voor de apparaten die MV-sensoren bieden. Het spoelen van de pocket met een fysiologische zoutoplossing vermindert de kans op achterblijvende lucht en onvoldoende contact. De accelerometer reageert op lichamelijke activiteit in het frequentiebereik van typische fysiologische activiteit 1 10 Hz.

Een algoritme zet de gemeten acceleratie in dit bereik om in een frequentiestijging boven de basisfrequentie. Omdat de accelerometer niet in contact is met de pacemakerbehuizing is de respons op druk die op de pacemaker wordt uitgeoefend, te verwaarlozen. Raadpleeg het deel Sensor Submenu op pagina voor informatie over het programmeren van de parameters van de accelerometer.

Typische relatie tussen MV en hartfrequentie. Ongeveer elke 50 ms 20 Hz geeft het apparaat een specifieke meet stroom af tussen de geselecteerde atriale of ventriculaire leadringelektrode en de pacemakerbehuizing. Tijdens het inademen is de transthoracale impedantie hoog en tijdens het uitademen laag. Het apparaat detecteert de resulterende veranderingen in spanning tussen de leadtip-elektrode en de indifferente elektrode die zich op de kop van de pacemaker bevindt Figuur Spanning V wordt gemeten tussen de tipelektrode op de lead en de indifferente elektrode op de pacemakerbehuizing.

De meetstroom is een uitgebalanceerd signaal met een lage amplitude dat de oppervlakte-ecg opnamen niet vervormt.

Op sommige ECG monitoren kunnen de golfvormen worden waargenomen en weergegeven. Deze golfvormen zijn alleen aanwezig als de MV-sensor wordt gebruikt. De gefilterde golfvorm wordt dan verwerkt om de meting van het totale volume te verkrijgen. Het apparaat houdt een glijdend gemiddelde nullijn van 4 uur van deze metingen bij, evenals een glijdend gemiddelde op korte termijn ongeveer 30 seconden acuut , dat elke 8,0 seconden wordt bijgewerkt.

Het verschil tussen de nullijn en de acute MV-meting vertegenwoordigt de relatieve toename of afname in MV, dat door het algoritme wordt omgezet in een frequentieverhoging boven de Basisfrequentie. Zie Minuutvolume op pagina voor een uitgebreide bespreking van de parameters. Het geeft een niet-invasieve bevestiging van de fabrikant. Zie paragraaf Quick Start pagina voor informatie over het identificeren van het apparaat via de programmer.

Het modelnummer van de pacemaker is opgeslagen in het geheugen van het apparaat en is te zien op het Infoscherm dat kan geopend worden via het menu Hulpprogramma s bij het uitlezen van de pacemaker. Een pacemaker kan op de volgende manieren interactie veroorzaken met een ICD: De ICD zal de aritmie niet detecteren en daarom geen therapie afgeven. Dit kan ertoe leiden dat de frequentiemeting van de ICD sneller is dan de feitelijke hartfrequentie.

Hierdoor kan de ICD onnodig therapie afgeven. Indien de ICD zowel de stimulatiepulsen als de resulterende ventriculaire depolarisaties telt, kan de door de ICD gemeten frequentie sneller zijn dan de feitelijke hartfrequentie. Dit kan leiden tot onnodige ICD-therapie. Een ICD-shock kan de geprogrammeerde instellingen van de pacemaker wijzigen of de pacemaker beschadigen. Na de reset voert de pacemaker een geheugencontrole uit om na te gaan of de parameters die van essentieel belang zijn voor een veilige werking, niet gewijzigd zijn.

Indien de parameters niet gewijzigd zijn, werkt de pacemaker zoals geprogrammeerd verder. Indien er belangrijke parameters zijn gewijzigd, schakelt de pacemaker in de VVIstimulatiemodus en gebruikt stimulatie- en detectieconfiguraties zoals bepaald door een leadconfiguratietest. De pacemaker kan daarna opnieuw geprogrammeerd worden met de juiste parameterinstellingen. Om apparaat apparaat interactie van een bipolaire pacemaker met een ICD te beperken, dienen de onderstaande voorzorgsmaatregelen te worden opgevolgd: Plaats, tijdens implantatie, de pacemakerleads zo ver mogelijk van de detectie- en defibrillatieleads van de ICD.

Als er een endocardiale defibrillatielead gepositioneerd is in het rechter ventrikel, overweeg dan het gebruik van een bipolaire lead met actieve fixatie in het rechter ventrikel en positioneer de bipolaire lead hoog op de septale wand of in de rechter ventriculaire outflow tract om maximale afstand tussen de bipolaire stimulatielead en de distale defibrillatiecoil te bewerkstelligen.

Plaats de atriale bipolaire stimulatielead zo ver mogelijk van de proximale defibrillatiecoil, door gebruikmaking van een bipolaire stimulatielead met actieve fixatie. Het gebruik van bipolaire stimulatieleads met een kleine elektrode-afstand bv.

Dit geeft de grootste kans op het inhiberen van aritmiedetectie door detectie van stimulatiepulsen van de pacemaker. Om detectie van de stimulatiepulsen door de ICD te elimineren, kan het herpositioneren van de pacemakerleads noodzakelijk zijn. Lees opnieuw gegevens uit van de pacemaker na een ontlading van de ICD, om na te gaan of de geprogrammeerde parameters niet zijn gewijzigd of dat de ICD-shock de pacemaker niet beschadigde of een reset veroorzaakt heeft.

De pacemaker kan daardoor resetten en een geheugencontrole uitvoeren om vast te stellen of de voor een veilige werking noodzakelijke parameters gewijzigd zijn. De pacemaker blijft werken zoals geprogrammeerd, indien de parameters niet zijn gewijzigd.

Zijn er belangrijke parameters gewijzigd, dan gaat de pacemaker terug in de Resetmodus. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de stimulatie- en detectieconfiguraties die zijn bepaald door de Leadconfiguratietest die uitgevoerd wordt als onderdeel van de Resetcyclus. Diagnostische informatie wordt na een reset gewist. De Reset parameterwaarden staan vermeld in Tabel Alle andere, normaal in deze modi beschikbare parameters, zijn uitgeschakeld.

Dit circuit zorgt voor de juiste amplitudepulsen in hoge frequenties en verbetert de detectie van circuitherstel na een outputpuls. Het opladen verschijnt op de stimulatieleads als een lage amplitudepuls van de tegenovergestelde polariteit, onmiddellijk na de outputpuls.

Deze pulscyclus is ongeveer 8 ms lang voor outputs van 3,5 V en pulsduur 0,4 ms. Dit runaway beveiligingscircuit werkt onafhankelijk van het basisstimulatiecircuit van de pacemaker. De volgende onderwerpen worden in dit hoofdstuk besproken: Spanningsbron Verwachte levensduur van de pacemaker De batterijstatus Electief vervangingstijdstip Informatie over explantatie Informatie over de garantie.

Tijdens zijn levensduur vermindert de afgegeven spanning geleidelijk; Tabel bevat informatie over de afgegeven spanning en het bruikbare batterijvermogen. Zie Hoofdstuk 7, Diagnostische functies en controles voor meer informatie over de test Batterijstatus. Als de Magneetrespons op Uit of EGM is geprogrammeerd, zal de pacemaker niet omschakelen naar een asynchrone werking in de aanwezigheid van de magneet.

De pacemaker blijft in Magneetrespons, zolang de magneet zich boven het midden van de pacemaker bevindt, loodrecht op het lead-connectorblok Figuur Wanneer de magneet wordt verwijderd, hervat de pacemaker automatisch de werking zoals voor de test. Als frequentieadapterende stimulatie is geprogrammeerd, wordt deze uitgeschakeld zolang de magneet gebruikt wordt.

Plan de vervanging van de pacemaker wanneer het scherm Batterijstatus aangeeft dat het apparaat het ERN bereikt heeft of als de magneetfrequentie 85 min -1 of lager is. Het plaatsen van de magneet. Bij langdurige stimulatietherapie op een laag energieniveau kan de levensduur vergroot en de ERT vertraagd worden. Stadia van de levensduur van een pacemakerbatterij. Men moet ook goed opletten wanneer er vlak voor ERT wordt geprogrammeerd op een frequentieadapterende modus en bij het programmeren van wijzigingen in andere parameters die de stroomopname vergroten.

Naarmate de batterijcapaciteit blijft afnemen tijdens EOL verlaagt de pacemaker de stimulatieamplitude. Telemetrie is niet gegarandeerd na EOL. Wanneer de pacemaker EOL bereikt, zijn de volgende functies niet meer beschikbaar: Een grondige controle van het apparaat na therapie omvat: Lees de pulsgenerator uit met behulp van de programmer.

Herbekijk de klinische events en foutcodes. Herbekijk het Aritmielogboek, met inbegrip van opgeslagen elektrogrammen EGM s. Herbekijk de real-time EGM s. Stimulatiedrempel-, intrinsieke amplitude- en leadimpedantie-testen in alle kamers.

Voer de opdracht Alles Op Diskette Opslaan uit. Stuur de diskette enkel terug naar Boston Scientific als er abnormaliteiten werden opgemerkt. Als er abnormaliteiten worden opgemerkt tijdens deze evaluatie, neem dan contact op met de CRM Technische dienst van Boston Scientific; zij kunnen vragen om de resultaten van Alles Op Diskette Opslaan terug te sturen. Een verkeerde werking als gevolg van blootstelling aan straling kan onopgemerkt blijven totdat een functie van het apparaat enige maanden na het voltooien van een kuur met stralingstherapie wordt geactiveerd.

Artsen moeten derhalve de functie van de pulsgenerator nauwgezet blijven opvolgen en voorzichtig zijn bij het programmeren van een functie weken of maanden na de stralingstherapie. Neem contact op met Boston Scientific via de contactinformatie op de achterflap als u hier een kopie van wilt ontvangen. Raadpleeg de Bedieningshandleiding van de PRM voor het volledige overzicht van instructies.

Het hoofdstuk is onderverdeeld in drie delen: Een goed begrip van het uitlezen en programmeren van de pacemaker is van groot belang omdat deze informatie verder in de handleiding, bij de bespreking van de specifieke functies, niet wordt herhaald. Gebruik de stylus om de gewenste menuknoppen en parameterselectieknoppen te activeren door deze aan te raken en de stylus opnieuw van het scherm te halen. Het gebruik van de stylus wordt aangeraden omdat dit nauwkeuriger is dan aanraking met de vinger.

Niettemin zal een selectie tevens geactiveerd worden indien men het scherm met de vinger aanraakt. Voer de volgende stappen uit om de communicatie tussen de pacemaker en de PRM te starten. Sluit het netsnoer aan op het PRM-systeem en op een stopcontact. Raadpleeg de bedieningshandleiding van het PRM-systeem voor een volledige beschrijving van de programmer.

Breng het scherm omhoog tot een gemakkelijke gezichtshoek. Zet de spanningsschakelaar in de stand Aan. Wacht tot het Boston Scientific startscherm Figuur verschijnt. Bij het aanzetten van de PRM verschijnt het startscherm. Het startscherm toont de volgende informatie: Met de menuknop Hulpfuncties kan toegang worden verkregen tot informatie over de PRM en de set-upfuncties voordat toegang wordt verkregen tot de applicatiesoftware.

Met de knop Rapporten krijgt u toegang tot het Infoscherm en kunt u beschikbare systeeminformatie afdrukken. Met de menuknop Kies PG kan de gewenste applicatie gekozen en gestart worden. Onderaan midden in het beeld worden de datum en tijd weergegeven. De weergegeven afleidingen worden getoond met de stimulatieartefactmarker als die functie wordt gekozen.

Het ECG-scherm zoals geopend vanuit het opstartscherm. Leads kiezen Kies elke afleiding die weergegeven moet worden. Schrijfsnelheidsknoppen Kies de gewenste schrijfsnelheid op de ECGweergave: Afgedrukt ECG-versterking Pas de ECG-versterking aan van de curven die weergegeven zijn op de uitdraaien door de juiste waarde te selecteren. Met de instelling Filter Uit kunnen oppervlakte-ecg s met diagnostische filterinstellingen worden bekeken.

Stimulatieartefactenscherm Programmeer deze functie op Aan om gedetecteerde stimulatieartefacten te tonen die weergegeven worden door een marker op de bovenste golfvorm.

Om een kalibratiepuls op de PRM weer te geven, moet op de toets met opschrift worden gedrukt. Druk op de toets met opschrift om de curve weer op de nullijn terug te brengen.

Afdrukken op een externe recorder Druk op de gewenste snelheidstoets van de externe recorder terwijl de afleidingen op het PRM-scherm worden weergegeven om het oppervlakte-ecg op de externe recorder te tonen. Voor specifieke instructies betreffende de werking, zie de handleiding voor de externe recorder. Vervolgens leest de PRM de pacemaker automatisch uit.

Om toegang te krijgen tot de Demo-modus, kiest men de knop Kies PG bovenaan het scherm in plaats van de knop Quick Start voor het kiezen van het pacemakertype. Kies, voor het veranderen en bekijken van de waarden, de juiste functie in het menu Hulpfuncties. Op dit scherm kan verder de naam van het ziekenhuis worden ingesteld en gewijzigd en de informatie betreffende de applicatierevisie worden uitgeprint.

Kies de knop Sluiten om terug te keren naar het startscherm. Kies het veld Ziekenhuis voor het invoeren van de juiste naam van het ziekenhuis. Indien de PRM naar een ander ziekenhuis is verhuisd, kan de naam van het ziekenhuis zoals die op het Infoscherm verschijnt, gewijzigd worden voordat de applicatiesoftware wordt gestart. De naam van het ziekenhuis verschijnt ook bovenaan op de afgedrukte rapporten.

Na het kiezen van het veld Ziekenhuis verschijnt het beeld van een toetsenbord Figuur op pagina , samen met de naam van het ziekenhuis. Kies de knop Wissen om de naam van de instelling van het toetsenbord te verwijderen. De naam kan desgewenst ook letter voor letter worden verwijderd door de toets met de naar links wijzende pijl op het grafische toetsenbord te kiezen.

Telkens wanneer de pijl naar links wordt gekozen, verdwijnt er een teken uit het vakje. Verwijder alle ongewenste tekens. Kies voor het invoeren van nieuwe tekens een voor een de gewenste tekens op het afgebeelde toetsenbord. Kies de knop Veranderingen Annuleren om pas uitgevoerde verwijderingen of toevoegingen aan de naam van de instelling ongedaan te maken. Het toetsenbord verdwijnt en de nieuwe naam verschijnt in het Infoscherm. Het venster Datum en tijd instellen Figuur verschijnt.

Wijzig een datum- of tijdparameter door het vakje met de juiste datum of tijd te selecteren; selecteer de juiste waarde die verschijnt. Het venster Datum en tijd instellen.

Gebruik deze methode van apparaatkeuze in de Demo-modus. Maak in overige gevallen gebruik van de eerder in dit hoofdstuk beschreven functie Quick Start. Kies de knop Kies PG voor de gewenste softwareapplicatie, waardoor communicatie met een pacemakerlijn mogelijk is. De namen van de beschikbare lijnen pulsgenerators verschijnen. Kies de van toepassing zijnde serie. Het Hoofdscherm van de applicatie verschijnt, met daarin het scherm Systeemoverzicht Figuur Het Hoofdscherm van de applicatie met daarin het scherm Systeemoverzicht.

Alle schermillustraties van de PRM in deze handleiding tonen standaardschermen voor alle modellen. De schermen die verschijnen bij het uitlezen of programmeren van andere pacemakermodellen zien er eender uit, maar hierin kunnen de tweekamer- en frequentieadapterende velden ontbreken. Raadpleeg het onderdeel Hulpfuncties menu op het startscherm op pagina of het onderdeel Hulpfunctiemenu op het hoofdapplicatiescherm op pagina voor volledige informatie over de menukeuzes.

Pijlen Met de pijlpictogrammen kunt u bij schermen komen die eerder zijn bekeken. Kies het linker pijlpictogram om het meest recent bekeken scherm te bekijken. Blijf dit pictogram vervolgens selecteren om langs de schermen te gaan in de omgekeerde volgorde dan waarin ze zijn bekeken.

Nadat u de vorige schermen hebt bekeken, kunt u met de rechter pijl teruggaan naar het meest recent bekeken scherm. Printer Met het printerpictogram komt u rechtstreeks bij het venster Kies af te drukken rapporten. Dit venster dient gesloten te worden voor u verder gaat. De vastgelegde activiteit kan dan worden bekeken op het scherm Snapshot Viewer waar men in komt met behulp van de knop hulpprogramma Diagnostiek Evaluatie.

Informatie waarschuwing parameterinteractie Als een nieuwe parameter wordt ingevoerd in de kolom Nieuw van een scherm, wordt deze onmiddellijk gecontroleerd op interacties met andere parameters. Het pictogram met het uitroepingsteken geeft een waarschuwing in verband met parameterinteractie aan. Wanneer een parameter op dergelijke manier wordt gewijzigd, moet de arts van deze bijkomende informatie op de hoogte worden gebracht.

Dit pictogram kan gekozen worden om de informatie te bekijken. Wijzigingen aan de betreffende parameters kunnen rechtstreeks in het scherm Parameterinteractie worden gemaakt.

Stopteken Parameterinteractie Als een nieuwe parameterwaarde wordt ingevoerd in de kolom Nieuw van een scherm, wordt deze onmiddellijk gecontroleerd op interacties met andere parameters.

Als de nieuwe waarde de interactielimieten binnen de applicatie overschrijdt, verschijnt er boven in het venster een stoptekenpictogram dat een Parameterinteractiefout aangeeft.

Kies dit pictogram om het venster Parameterinteractie te openen en de fout en de aanbevolen oplossingen te bekijken. Een wijziging aan de betrokken parameter moet doorgevoerd worden voordat men kan verder gaan en kan direct in het venster Parameterinteractie worden gemaakt. Als de arts meerdere parameters verandert, is het aan te raden het pictogram Parameterinteractie niet onmiddellijk te kiezen, omdat volgende veranderingen de interacties weer teniet kunnen doen.

Door de stoptekenknop of de bijhorende tekst te kiezen, opent u een venster of navigeert u naar een scherm met informatie over het event. Snelkoppeling Kies het snelkoppelingspictogram in het schermbeeldgebied om rechtstreeks van de parameter, de functie of het betrokken event naar het scherm met gedetailleerde informatie te gaan.

Gebruik de linker pijlknop om terug te keren naar het oorspronkelijke scherm. Vergrootglas Met het vergrootglaspictogram in het schermbeeldgebied opent u een venster dat nadere informatie toont over een parameter, functie of event. Het venster dient te worden gesloten voor men verder gaat. Keuzevakje Een vinkje in een keuzevakje in het schermbeeldgebied geeft aan dat de functie of activiteit gestart zal worden.

Kies een vakje met een vinkje om het vinkje te wissen en de functie of activiteit te deactiveren. Start Kies een Startpictogram in het scherm Quick Check om een test te starten. Zo kunt u vertrouwd raken met de software zonder met een pacemaker te hoeven werken. Pacemaker Dit logo wordt getoond als er een pacemaker uitgelezen is. Pictogram van de hartfrequentie Het logo van de hartfrequentie geeft de hartfrequentie van het ECG weer. Hulpprogramma knoppenbalk Met de knoppenbalk hulpprogramma wordt bepaald welk scherm wordt getoond.

Via het scherm kan gecommuniceerd worden met de pacemaker en kan men de gegevens in het geheugen van de pacemaker uitlezen. Het is niet mogelijk twee of meer knoppen tegelijk te activeren. Kies de knop Sluiten of Annuleren om een venster van het scherm te verwijderen. Hoe een venster te verplaatsen Als u een aantal vensters tegelijk open wilt hebben, kunt u met de stylus die bij het aanraakscherm hoort vensters naar een andere plaats in het scherm slepen.

Zet de stulus in de titelbalk bovenin het venster. Er verschijnt een lijn om het venster die aangeeft dat het venster verplaatst kan worden. Raak met de stylus deze vensteromlijning aan en sleep het venster naar de gewenste plaats. Haal de stylus van het scherm als het kader zich op de gewenste plaats bevindt. Het venster verschuift naar die plaats en blijft daar tot het opnieuw wordt verplaatst of tot het wordt gesloten.

Mededelingenvenster Tijdens de communicatie kunnen er mededelingenvensters Figuur verschijnen. Bepaalde vensters vragen u iets te doen voordat u verder gaat, andere geven alleen informatie en vragen geen actie.

De mededelingen geven enige gewenste actie aan. De meeste mededelingenvensters hebben een knop Annuleren of Sluiten onderaan het venster. Zorg ervoor dat alle telemetrische sequenties voltooid zijn voordat de telemetrische programmeerkop wordt verwijderd. Het uitlezen gebeurt op overeenkomstige wijze. Deze commando s worden in dit hoofdstuk beschreven.

Telemetrische communicatie is ook nodig voor het uitvoeren van andere functies zoals Leadimpedantie- en Drempeltesten. Deze functies worden in latere hoofdstukken beschreven. Een telemetriesessie met de PRM kan plaatsvinden door het uitvoeren van de volgende stappen: Sluit de programmeerkop aan op de PRM.

Stuur een commando van de PRM naar de pacemaker bv. Tijdens de communicatie kan op het scherm een Statusvenster verschijnen, dat aangeeft dat de pacemaker buiten bereik is. Breng dan de programmeerkop weer in de goede positie om de communicatie te hervatten of probeer de programmeerkop andersom. Als event-markers of intracardiale EGM s geactiveerd zijn, verschijnt er geen mededeling, maar wordt de transmissie van de event-markers of intracardiale EGM s onderbroken tot de telemetrie wordt hersteld.

De pacemaker uitlezen Het uitlezen van de pacemaker is de eerste stap bij elke controlesessie. Bij het eerste uitlezen wordt de volgende informatie uit het geheugen van pacemaker opgevraagd: Wanneer u de knop Quick Start kiest in het startvenster, herkent de PRM het apparaat, opent de juiste applicatie en leest de pacemaker automatisch uit.

Indien u geen gebruik maakt van de functie Quick Start, kunt u de pacemaker uitlezen door middel van de volgende procedure: Er verschijnt een mededelingenvenster. Houd de telemetrische programmeerkop over de pacemaker. De schaal in het mededelingenvenster geeft aan hoever het uitlezen gevorderd is.

Wanneer de programmeerkop tijdens een uitleessessie te vroeg bij de pacemaker weggehaald wordt, verschijnt er een mededeling dat er telemetrie-storing optreedt of dat de programmeerkop buiten het telemetriebereik is geraakt. Herstel de telemetrische verbinding om de uitleessessie voort te kunnen zetten. Geautomatiseerde systemen kunnen blootstaan aan elektrische interferentie of ruis. Als er dergelijke interferentie optreedt, wordt het telemetrische contact verbroken en het onjuist uitlezen of programmeren voorkomen.

Indien het mededelingenvenster verschijnt dat aangeeft dat de programmeerkop buiten bereik is of dat er telemetrieruis optreedt, dient men de PRM uit de buurt van elektrische apparaten zoals elektrochirurgische apparatuur en monitors te plaatsen en zich ervan te verzekeren dat het snoer van de programmeerkop en kabels elkaar niet kruisen. Parameterwaarden veranderen De parameterwaarden worden veranderd door met de stylus het betreffende parametervakje in de kolom Nieuw aan te raken en de stylus vervolgens van het scherm te halen.

Als er veranderingen zijn aangebracht in de parameterwaarden, verschijnen de gegevens in het vak Nieuw tot deze in de pacemaker worden geprogrammeerd. Selecteer de gewenste waarden op een van de volgende manieren op het scherm: Paletvenster Raak de gewenste waarde aan en haal de stylus van het scherm; de selectie is voltooid en verschijnt in de kolom Wijzigen van het parametervakje.

Toetsenbordvenster Raak het eerste teken van de nieuwe waarde aan; het verschijnt in het gegevensinvoervakje. Ga door tot de nieuwe waarde in zijn geheel verschijnt. Elke keer als de linker pijl wordt gekozen, verdwijnt er een teken uit het vakje.

Kies de knop Wijzigingen Annuleren om zojuist uitgevoerde verwijderingen of toevoegingen ongedaan te maken. Kies, nadat alle tekens geselecteerd zijn, de knop Sluiten op het grafische toetsenbord. Types venster waarin waarden veranderd kunnen worden. Als het scherm buiten het paletvenster wordt aangeraakt, wordt het venster gesloten zonder dat een eventuele selectie wordt uitgevoerd.

Wanneer eenmaal een waarde is geselecteerd en de stylus wordt, zonder deze van het scherm te halen, buiten het actieve menu gebracht, dan worden de vensters menuopties en parameterwaardeselectie gesloten zonder dat een eventuele selectie wordt uitgevoerd.

Herhaal deze stappen als er meerdere parameters opnieuw geprogrammeerd dienen te worden. Er kunnen meerdere parameterveranderingen tegelijkertijd uitgevoerd worden. De pacemaker programmeren Als er parameterwaarden zijn veranderd, verschijnen de gegevens in de vakjes Nieuw totdat deze in de pacemaker geprogrammeerd worden. Volg de volgende procedure voor het programmeren van de parameters van de pacemaker: Kies de knop Bradyparameters op de werkbalk met hulpprogramma s.

Breng de gewenste veranderingen in de parameters aan. Plaats de telemetrische programmeerkop over de pacemaker. De schaal in het mededelingenvenster geeft aan hoever het programmeren is gevorderd. Als er een sensor wordt in- of uitgeschakeld, verschijnt er een tweede mededelingenvenster dat aangeeft dat Trending Set-up aan de gang is. Als de programmeerkop tijdens de programmeersessie te vroeg bij de pacemaker wordt weggehaald, verschijnt er een mededeling dat er telemetrieruis is of dat de programmeerkop buiten het telemetriebereik is geplaatst.

Herstel het telemetriecontact om door te gaan met de programmeersessie. Als het contact niet kan worden hersteld of u de sessie wilt afbreken, kunt u Annuleren in het mededelingenvenster kiezen om de programmeersessie te stoppen. Zorg ervoor dat alle annuleersequenties voltooid zijn voordat de telemetrische programmeerkop wordt verwijderd. Veel van deze functies zijn ook beschikbaar vanuit het menu Hulpfuncties in het startscherm en worden uitgebreid beschreven in het gedeelte elders in dit hoofdstuk.

De informatie kan te allen tijde met de normale opvraagprocedures opgevraagd worden. Afgezien van de parameter leadtype, heeft deze informatie geen invloed op de werking van de pacemaker. Zie het onderdeel Bipolaire Configuratie Blokkering op pagina voor verdere informatie. Het model- en serienummer van de pacemaker worden uit de pacemaker zelf opgevraagd en kunnen niet door de arts gewijzigd worden. Raak met de stylus de parameter aan die u wilt veranderen.

Afhankelijk van het parametertype, wordt een numeriek palet, een menu of een grafisch toetsenbord weergegeven. Breng de benodigde wijzigingen aan in de parameterwaarde. De gebruiker moet de knop Gegevens opslaan kiezen om de gegevens op te slaan in de pacemaker. De nieuwe informatie wordt opgeslagen in het interne geheugen van de pacemaker. Gegevens die op diskette zijn opgeslagen kunnen niet worden gelezen met behulp van de PRM.

Bij het opslaan van gegevens op de diskette dient het klepje dat beschermt tegen overschrijven zich in gesloten positie te bevinden zwart klepje bedekt de opening. Kies de optie Alles opslaan op diskette in het menu Hulpfuncties. Er verschijnt een melding waarin de gebruiker wordt verzocht de brondiskette in te brengen. De PRM leest de informatie van de diskette. Zodra dit proces voltooid is, verschijnt de mededeling dat er een nieuwe diskette moet worden ingebracht de doeldiskette.

De informatie wordt naar de nieuwe diskette gekopieerd. Kies de optie Diskette formatteren vanaf het menu Hulpfuncties. Bij formattering worden alle gegevens van de diskette gewist. Plaats na voltooiing van het formatteren een andere diskette in het diskettestation en kies de knop Nieuwe Diskette Formatteren, of kies de knop Annuleren als u de formatteerfunctie wilt verlaten. De Hulpfunctie Programmerklok Instellen Kies de optie Programmerklok Instellen om datum en tijd urenklok van de PRM te veranderen die linksonder in het startscherm worden weergegeven.

Het venster Datum en Tijd Instellen Figuur dat de seconden in real-time weergeeft, zal verschijnen. Verander de waarden door de pijl omhoog of omlaag te kiezen.

Kies de knop Programmerklok Instellen wanneer de gewenste waarden worden weergegeven om de nieuwe datum en tijd te bevestigen. Kies de knop Annuleren om veranderingen op te heffen voordat zij zijn doorgevoerd. Wanneer de pacemaker wordt uitgelezen, wordt de in de pacemaker opgeslagen tijdsaanduiding gebruikt in combinatie met de klok van de programmer. Daarom is het belangrijk dat de klok van de programmer voor het uitlezen juist is ingesteld.

De arts dient de hulpfunctie Print geheugen uitsluitend te gebruiken op aanwijzing van een vertegenwoordiger van Boston Scientific. Kies het menu Hulpfuncties uit het Hoofdscherm van de applicatie. Wanneer rapporten worden afgedrukt, moet eerst de knop Afdrukken annuleren gekozen worden voordat de knop Bevestigen beschikbaar komt. Kies de knop Bevestigen. Kies het menu Hulpfuncties in het Hoofdscherm van de applicatie. Markeer en kies de optie Stoppen. Er verschijnt een mededeling dat men door het kiezen van Stoppen de applicatie verlaat en terugkeert naar het startscherm.

Wanneer er rapporten worden afgedrukt, moet eerst de knop Afdrukken annuleren gekozen worden voordat de knop Stoppen beschikbaar komt. De volgende therapiefuncties en bijbehorende programmeerbare parameters worden in dit hoofdstuk besproken: Basisbradyparameters Sensoren A-Tachyrespons Frequentieverfijningen Leadconfiguratie AV-interval Refractaire periode Magneetinstellingen Alle in dit hoofdstuk beschreven parameters zijn toegankelijk via het scherm Bradyparameters.

Als er in dit hoofdstuk een parameter via een knop uit een submenu bereikt wordt, wordt de knop van het betreffende submenu gearceerd weergegeven.

De tekening hieronder toont bijvoorbeeld dat de parameter Rate Smoothing gevonden wordt via het submenu Rate Smoothing in het scherm Bradyparameters. Rate Smoothing Bradyparameters Frequentieverfijningen. Aan elke kant van het scherm staan twee kolommen naast de namen van de parameters: Als een bepaalde parameter niet beschikbaar is in de huidige modus staat er een streepje in de kolom Huidige.

Als een parameter niet beschikbaar is in de modus in de kolom Nieuw, dan wordt het vakje van deze parameter niet afgebeeld. Als er een waarde staat in de kolom Huidige maar de kolom Nieuw is leeg, dan kan de parameter worden veranderd met behulp van het juiste submenu.

Het Bradycardieparameters scherm voor de tweekamer, frequentieadapterende pacemakers. Submenu s Bradyparameters Via submenu s worden de extra functies benaderd. Deze submenu s worden afgebeeld aan de rechterkant van het scherm Bradyparameters onder de knoppen die toegang verschaffen tot de submenu s Figuur Kies de knop voor een bepaald submenu om dit submenu weer te geven. Wanneer de waarden zijn geprogrammeerd, verdwijnen de schuine strepen. Als een bepaalde parameter niet beschikbaar is in een modus die afgebeeld staat bovenin de kolom Huidige, verschijnen er in de parameterregel streepjes.

Als een parameter niet beschikbaar is in de modus in de kolom Nieuw, wordt het vakje van die parameter niet afgebeeld. Parameterwaarden veranderen Verander op de volgende wijze de permanente stimulatieparameters: Kies de knop Bradyparameter in de balk Hulprogramma s. Kies de te veranderen parameter door het vakje Nieuw naast de parameter aan te raken.

Selecteer nieuwe parameterwaarden door de waarden in de kolom Wijzigen te verkleinen of te vergroten. Als bijkomende parameters opnieuw geprogrammeerd moeten worden, herhaal dan dit proces om de gewenste waarden te verkrijgen.

Veranderingen voor meerdere parameters kunnen tegelijkertijd geprogrammeerd worden. Nadat de verandering en is werden ingevoerd, dient u zich ervan te verzekeren dat het of pictogram niet getoond worden bovenin het scherm.

Indien dit wel het geval is, selecteer dan het pictogram om te bepalen hoe de huidige veranderingen conflicten veroorzaken met de andere instellingen. Het stopteken geeft een fout aan die gecorrigeerd dient te worden voordat er geprogrammeerd kan worden; waarschuwingen die aangegeven worden met het uitroepteken dienen zorgvuldig in overweging genomen te worden voor men verder gaat. Deze parameters worden nu de permanente stimulatieparameters en staan weergegeven in de kolom Huidige.

De knop Veranderingen annuleren De knop Veranderingen annuleren kan gekozen worden om waarden uit de kolom Nieuw te verwijderen voordat ze worden geprogrammeerd. Deze parameters worden nu de permanente stimulatieparameters en staan weergegeven in kolom Huidige. De Leadconfiguratie blijft zoals oorspronkelijk geprogrammeerd.

Iedere parameter wordt besproken en de programmeerbare waarden worden in een tabel weergegeven. Zie Tabel voor beschikbare modi bij elk model De pacemakers kunnen, afhankelijk van het model, in de volgende modi geprogrammeerd worden.

Zie Bijlage A voor een volledige bespreking van elk van deze modi. Alleen beschikbaar tijdens Tijdelijke programmeren. De stand Aan of Uit kan niet veranderd worden vanuit dit scherm; kies de knop A-Tachyrespons submenu om de stand te veranderen. Zolang het ventrikel wordt gestimuleerd, wordt het escape-interval getimed van het ene ventriculaire event naar het volgende.

Wanneer een event in het ventrikel wordt gedetecteerd bijv. Dit wisselen van timing zorgt gedurende intrinsieke AV-geleiding voor accurate stimulatiefrequenties. Standaard DDD-gedrag In het volgende wordt ervan uit gegaan dat de volgende parameters Uit zijn geprogrammeerd: Als de gedetecteerde atriale frequentie hoger is dan de MTR, zal mogelijk bovenste frequentielimietgedrag in de vorm van pacemaker Wenckebach of 2: Ten behoeve van atriale tachycardiedetectie en voor histogramdoeleinden, worden atriale slagen gedetecteerd tijdens de gehele hartcyclus behalve tijdens atriale blanking , inclusief AV-interval en PVARP.

Zoals weergegeven in Figuur , als de atriale frequentie hoger is dan de MTR dan wordt het AV-interval progressief langer AV tot een P-golf binnen de atriale refractaire periode valt. In dat geval zal verlies van 1: Weergave van verlengd Wenckebach-gedrag bij MTR. Figuur geeft een weergave van een andere vorm van bovenste frequentielimietgedrag 2: Bij dit type gedrag, valt elke tweede intrinsieke atriale slag in de PVARP en wordt zodoende niet gesynchroniseerd wat resulteert in een verhouding van 2: Een blok treedt dan op bij de verhoudingen 3: Weergave van een Pacemaker 2: Er kan ofwel Wenckebach ofwel 2: Om te voorkomen dat het detectievenster volledig sluit bij de MTR, resulterend in 2: Het is mogelijk om de MSR hoger dan, gelijk aan of lager dan de ATR Triggerfrequentie te programmeren, tenzij de permanente modus niet-frequentieadapterend is en de ATR Terugvalmodus frequentieadapterend is.

Een lange refractaire periode geprogrammeerd in combinatie met een hoge MSR kan leiden tot asynchrone stimulatie tijdens refractaire periodes, zodat deze combinatie kan resulteren in een zeer klein of in een ontbrekend detectievenster. Een AV-intervalinstelling van ms in combinatie met een PVARP van ms leidt tot asynchrone atriale stimulatie bij sensorgemelde frequenties boven min -1 in frequentieadapterende tweekamerpacemakers. Een refractaire periode van ms leidt tot asynchrone stimulatie bij sensorgemelde frequenties boven min -1 in atriale frequentieadapterende pacemakers.

Het AV-interval is beschikbaar in alle tweekamer modi. In de DOO modus geeft de pacemaker, ongeacht intrinsieke ventriculaire depolarisatie, een ventriculaire stimulus af aan het einde van het AV-interval.

AV-interval kan op een vaste waarde geprogrammeerd worden AV-interval gestimuleerd of kan dynamisch geregeld worden op basis van het voorafgaande A A-interval Dynamische AV-interval. Het Dynamische AV-interval wordt nominaal geprogrammeerd op Aan. Zie Dynamisch AV-interval op pagina voor bijkomende informatie.

Als een constant AV-interval is geprogrammeerd, verandert het AV-interval niet bij een stijgende frequentie. Hierdoor vindt er bij MTR een belangrijke afname plaats van het detectievenster. Hierdoor kan de MTR op een hogere frequentie worden ingesteld en wordt pacemaker Wenckebach-gedrag, als atriale frequentie boven MTR komt, beperkt.

Het programmeerbare AV-interval is nooit korter dan 10 ms of langer dan ms. Atriale en ventriculaire pulsduur zijn onafhankelijk programmeerbaar. De aan het hart afgegeven energie is evenredig met de Pulsduur; het verdubbelen van de Pulsduur verdubbelt de afgegeven energie.

Programmeren op een smalle kortere Pulsduur met behoud van een adequate veiligheidsmarge, zorgt hierdoor voor een langere levensduur van de pacemaker.

De Amplitudes worden onafhankelijk geprogrammeerd voor het atrium en ventrikel. De aan het hart afgegeven energie is evenredig aan het kwadraat van de Amplitude. Het programmeren op een lagere amplitude met behoud van een adequate veiligheidsmarge zorgt voor een langere levensduur van de batterij.

Pulsduur Herlaadcyclus 20 ms Voorste flank: Als Gevoeligheid op een heel gevoelige instelling wordt geprogrammeerd d. Als Gevoeligheid op een minder gevoelige instelling wordt geprogrammeerd d. Bij handmatige programmering moet de gevoeligheid op een waarde geprogrammeerd worden waarmee detectie van signalen van buiten wordt voorkomen, maar nauwkeurige detectie van intrinsieke hartsignalen gegarandeerd wordt. Intrinsieke atriale signalen kenmerken zich doordat ze zwakker zijn dan ventriculaire signalen.

Lagere instelling van de gevoeligheid is dus kenmerkend bij programmering voor het atrium. Als er een single-pass VDDlead wordt gebruikt in een tweekamerapparaat, zullen de atriale elektrodes meestal niet in contact komen met de atriale wand.

In dat geval heeft het gemeten depolarisatiesignaal een relatief lage amplitude en zou een gevoeligheidsinstelling kunnen vereisen van 0,15 mv. P-golven van minder dan 0,25 mv en R-golven van minder dan 1,5 mv worden niet gedetecteerd als Auto Sense wordt gebruikt. Het programmeren van de detectiedrempel op een waarde onder 0,3 mv bipolair en 2,0 mv unipolair moet zorgvuldig worden overwogen als gevolg van de mogelijkheid op ongewenste far-field detectie, detectie van myopotentialen en detectie van elektromagnetische interferentie.

Met Auto Sense wordt de gevoeligheid van de pacemaker automatisch aangepast aan veranderingen in het hartsignaal zonder tussenkomst van de arts. Het gevoeligheidsniveau wordt bij elke hartcyclus bijgewerkt.

Het Auto Sense gevoeligheidsbereik ligt voor het atrium tussen 0,25 4,0 mv en voor het ventrikel tussen 1,5 6,0 mv. Zowel voor Auto Sense als voor vast geprogrammeerde Gevoeligheid, bedraagt de minimale aanbevolen P-golf 2,0 mv en de minimale aanbevolen R-golf 5,0 mv.

Bij enkelkamerapparaten schakelt Auto Sense standaard naar het ventriculaire algoritme; daarom dient Auto Sense alleen in het ventrikel voor enkelkamerapparaten te worden gebruikt. Auto Sense gebruikt soortgelijke algoritmen voor atriale en ventriculaire detectie.

Amplitude van Gedetecteerde events Als Auto Sense intrinsieke slagen detecteert, past Auto Sense het detectiedrempelniveau aan op basis van een afgevlakt gemiddelde van de gemeten intrinsieke slagen.

Type Hartsignaal Gedetecteerd of gestimuleerd Bij het detecteren gebruikt Auto Sense het afgevlakte gemiddelde van de gemeten intrinsieke slagen om het gevoeligheidsniveau te bepalen. Als er stimulatie plaatsvindt, wordt de gevoeligheid langzaam aangepast, waarbij de gevoeligheid bij elke hartcyclus toeneemt totdat een maximale gevoeligheid wordt bereikt van 0,25 mv in het atrium of 1,5 mv in het ventrikel. De detectiedrempel blijft op het niveau dat eerder is vastgesteld door Auto Sense voor de duur van deze tijdelijke stadia.

R-golfamplitude Huidige detectiedrempel Gemeten ruisniveau Aangepast gevoeligheidsniveau: In dit voorbeeld is de detectiedrempel aangepast op basis van het gemeten myopotentialenruisniveau. Refractaire periodes voorkomen het triggeren of inhiberen van pacemaker ten gevolge van de ongewenste detectie van signalen zoals retrograde P-golven, far-field R-golven of ruis.

Atriale refractaire periode Programmeerbare waarden: Zie Max Sensorfrequentie op pagina voor een nadere bespreking. Zie Max Trackingfrequentie op pagina voor nadere bespreking. Ventriculaire refractaire periode Programmeerbare waarden: Deze parameter is beschikbaar in elke modus waarin ventriculaire detectie ingeschakeld is.

Het gebruik van een lange Ventriculaire refractaire periode verkort het ventriculaire detectievenster. Het programmeren van de Ventriculaire refractaire periode op een waarde hogere dan PVARP kan leiden tot competitieve stimulatie. Als de Ventriculaire refractaire periode bijvoorbeeld langer is dan PVARP, kan een atriaal event correct gedetecteerd worden na PVARP en valt intrinsieke geleiding naar het ventrikel in de Ventriculaire refractaire periode.

In dat geval detecteert de pacemaker niet de ventriculaire depolarisatie en zal stimuleren aan het einde van de AV-interval, wat competitieve stimulatie tot gevolg heeft.

De polariteit kan niet vanuit dit scherm worden veranderd; kies, voor het veranderen van de polariteit, de knop Leadconfiguratie submenu. In deze modi stimuleert de pacemaker bij de door de sensor aangegeven frequentie, tenzij de pacemaker geblokkeerd wordt door gedetecteerde slagen.

Het klinische voordeel van frequentieadapterende stimulatie met behulp van elk van deze sensors is aangetoond in onze eerdere klinische onderzoeken.

Alleen ATR kan niet door de gebruiker worden ingesteld. Het wordt ingesteld als de primaire modus niet-frequentieafhankelijk is en een frequentieafhankelijke ATR Terugvalmodus wordt geselecteerd. De Accelerometer detecteert beweging die verband houdt met fysieke activiteit en genereert een elektrisch signaal dat evenredig is aan de intensiteit van de door het lichaam gemaakte beweging.

Om de activiteit te meten worden zowel de frequentie als de amplitude van het sensorsignaal in de berekening meegenomen.

De signaalfrequentie geeft weer hoe vaak een activiteit voorkomt, zoals het aantal passen per minuut tijdens een flinke wandeling. De signaalamplitude geeft de kracht van de beweging weer - bijvoorbeeld, extra grote stappen tijdens het wandelen. Zie Hoofdstuk 3 Technische Informatie voor een verdere bespreking van de werking van de accelerometer. Als de pacemaker permanent op niet-frequentieadapterende modus is geprogrammeerd, is het mogelijk om de ATR Terugvalmodus op een frequentieadapterende modus te programmeren door gebruik te maken van de Accelerometersensor.

De volgende programmeerbare parameters besturen de respons van de pacemaker op het door de Accelerometer gegenereerde sensorsignaal: Responsfactor Activiteitsdrempel Reactietijd Hersteltijd. Figuur toont de relatie van de Responsfactorinstellingen. De Automatische Responsfactor moet op Uit of Reset ingesteld worden voordat de Responsfactorinstellingen kunnen veranderd worden.

Het verband tussen de geprogrammeerde responsfactorinstelling en de frequentierespons. Door het op een hogere waarde instellen van de Responsfactor kan de frequentie de MSR bij een lager inspanningsniveau bereiken dan met een lage waarde. Figuur illustreert het effect van een hogere en lagere instelling tijdens een theoretische tweefasen-inspanningstest.

De effecten van de Responsfactorinstelling in een tweefasen-inspanningstest. De bereikte stimulatiefrequentie kan beperkt worden door het gedetecteerde activiteitsniveau of door de geprogrammeerde MSR. Als het gedetecteerde activiteitsniveau resulteert in een constante frequentie onder de MSR, kan de stimulatiefrequentie verder toenemen wanneer de gedetecteerde activiteitsniveaus toenemen.

Door de LRL omhoog of omlaag te programmeren, beweegt de gehele frequentierespons omhoog of omlaag zonder van vorm te veranderen. De constante respons is onafhankelijk van de geprogrammeerde reactie- en herstelduur. Het wordt daarom aanbevolen eerst deze instellingen van de frequentierespons te gebruiken voordat veranderingen te programmeren.

De instelling Passief kan gebruikt worden voor trending van de accelerometer zonder dat een frequentierespons optreedt. De pacemaker verhoogt de frequentie niet boven de LRL voordat het accelerometersignaal de Activiteitsdrempel overschrijdt.

Een lagere Activiteitsdrempelinstelling wordt gemakkelijk overschreden door de minste beweging, terwijl een hogere instelling pas bij een grotere beweging resulteert in een toegenomen stimulatiefrequentie Figuur Wanneer een toename in het activiteitsniveau wordt gedetecteerd, neemt de stimulatiefrequentie toe. De snelheid waarmee de stimulatiefrequentie naar het nieuwe niveau stijgt, wordt bepaald door de Reactieduur. De geselecteerde waarde voor de Reactieduur bepaalt de tijd die de gestimuleerde frequentie nodig heeft voor het bereiken van de MSR voor een maximaal activiteitsniveau.

Zie Figuur voor een grafische weergave van de reactieduurcurven. De Reactieduur is alleen van invloed op de tijd die nodig is voor een frequentietoename. Een lange Reactieduur resulteert in een langzamere toename van de stimulatiefrequentie Figuur Bij een korte Reactietijd zal de frequentie tijdens een theoretische tweefaseninspanningstest sneller toenemen dan bij een lange Reactietijd Figuur Zie Figuur voor een grafische weergave van de hersteltijden. Alleen de instellingen met een even nummer worden getoond.

Er zijn 15 instellingen beschikbaar. Bij een lange Hersteltijd zal de afname van de gestimuleerde frequentie langzamer verlopen. Figuur laat het effect van een hoge en lage instelling tijdens een theoretische tweefasen-inspanningstest zien. Programmeer, bij gebruik van dubbele sensorblending, Herstelduur voor de Accelerometer op een minimumwaarde van 2 minuten.

Hierdoor kan het fysiologische MV-signaal frequentieadapterende stimulatie regelen in de inspanningsherstelfase. Op basis van de MV-meting berekent de pacemaker de sensorfrequentie. Het minuutvolumesignaal kan ofwel via de atriale ofwel via de ventriculaire lead worden gemeten. De gekozen MV-lead moet bipolair zijn maar de leadconfiguratie kan op unipolair of bipolair geprogrammeerd worden. Zie Hoofdstuk 3 Technische informatie voor een bespreking van MV-detectie.

Voor het verkrijgen van een relatieve MV-meting, wordt een gemiddelde op lange termijn 4 uur ook nullijn genoemd vergeleken met een gemiddelde op korte termijn ongeveer 30 seconden om zo de verandering in MV te bepalen ten gevolge van een verhoogde metabolische vraag. Als het gemiddelde op korte termijn uitstijgt boven het gemiddelde op lange termijn, wordt het verschil gebruikt om de sensorfrequentie te verhogen Figuur De Nullijn gemiddelde op lange termijn volgt het verloop van het gemiddelde op korte termijn gemeten over een tijdinterval van 4 uur.

Forholdet er det samme som for polarisering impedanse se foran. Unipolar pacing kan lett hemmes av myopotensialer, dvs. Levetid er plottet mot stimulasjonesspenning. Katodestimulering blir brukt, og terskelen for anodestimulering er vanligvis den dobbelte Figur 8. Skjematisk oppbygging av en pacemakerelektrode. Ved unipolar pacing er pacemakerkannen anoden. Vanlig oppbygging av pacemakerelektroder. Bipolar elektrode med en sentral coil katode med en coil utenfor denne anode med isolasjon mellom.

Polyuretan er sterkere og har lite friksjon, og tillater produksjon av tynnere elektroder. De vil komme i handelen i eller Festemekanisme Elektrodene festes til myokard enten ved hjelp av tines plastutspring lik en tvare som fester elektroden i trabekelverket som et lite anker.

Ulempen med denne krummingen er at elektroden kan illudere riktig plassering og senere dislokere. Et alternativ er skru-inn elektroder utseende av liten korketrekker. Sensoren krever bipolar elektrode. Sensoren krever ingen spesiell type elektrode. Andre og enklere teknikker med atrial pace preference etc.

Figuren viser en elektrode plassert lateralt over venstre ventrikkel gjennom sinus coronarius Figur 10 b. Teknologisk er metoden over barnestadiet, med spesielle elektroder som legges inn med over the wire teknikk figur 10 og separate utganger for regulering av output.

Se kapittel om elektrofysiologi. Paceterskelen testes med visse mellomrom. Beat to beat autocapture: Frekvensjevning, egentlig omvendt hysterese. Lavere frekvens hvis pasienten hviler eller sover. Reguleres med klokke problemer med sommertid eller aktivitetssensor. Atriepacing som hemmes av spontan atrieaktivitet. Ventrikkelpacing som hemmes av spontan ventrikkelaktivitet. Ventrikkelpacing uten sense inhibisjon, fixed rate. Pacer i begge kamre, men senser bare i ventrikkelen og pacer fixed Tabell 2.

Tokammerpacemaker med frekvensrespons og antitachykardipacing i atriet. Utstyr for programmering leveres av de respektive pacemakerfabrikanter, og gjelder bare for eget fabrikat. Programmererne er ombygde datamaskiner med en telemetrienhet, dvs. De kan motta rapporter telemetri fra pacemakeren i forbindelse med pacemakerkontroller, og har utstyr for registrering av overflate EKG og elektrogrammer fra pacemakerelektrodene.

Andre merker kommer til Norge med nordmenn operert i utlandet,. Programmeringsmuligheter for pacemakere i Norge per Telectronics Sorin Guidant Biotronik: Styrken av impulsene avtar med kvadratet av avstanden. Alle programmerere har derfor en sterkt begrenset rekkevidde, vanligvis cm. Tidscykluser er kanskje det mest kompliserte ved pacemakerbehandlingen. De forskjellige produsentene bruker litt forskjellige definisjoner og algoritmer, slik at noen beskrivelser blir typespesifikke, men illustrerer prinsippene.

Merk hvordan intervallene blir startet igjen ved en ekstrasystole. Oversikt over forkortelser og tidsintervaller. Sensede signaler utenfor blanking brukes for bl. Mode switch og kommer i marker channel. Sense Compensation Negativt tall 30 50 ms. Et atriesignal starter et AVI og en blanking periode i tokammer pacemakerens ventrikkelkanal.

Hensikten er at ventrikkelstimuleringen ikke skal hemmes av atriet cross-talk. En mer sofistikert og myk variant er search hysterese eller sinus preference. Efter et gitt antall cycler reduseres frekvensen et hakk inntil en spontan atrieimpuls igjen senses. Programmet brukes til tachykardibryting, med en eller to ekstrasys-. Atrie overdrive, atrial pace preference. Efter et gitt antall cycler reduseres overdrivefrekvensen til egenfrekvens senses igjen.

Funksjonen er spesielt nyttig ved konvertering av atrieflutter og SVT fig. Fusjonslagene kan enkelte ganger mistolkes som pacesvikt, fordi et lite smalt QRS kan drukne fullstendig i pace artefaktet. Feilen oppdages som regel hvis man bruker flere EKG avledninger samtidig. Har man ut fra pasientens angivelser svimmelhet, synkoper, m. Eventuelt 24 timers EKG. En del nyere pacemakere har dessuten innebygget event recorder, hvor det ved applikasjon av en liten magnet ved symptomer lagres EKG fra hendelsen.

Nesten alle nyere pacemakere kan registrere tachykardiepisoder fig. Magnettesten kan derfor gi en grovvurdering av pacemakerens batterifunksjon, selv om man ikke har den aktuelle programmerer tilgjengelig. Amplituden er ved atrieflimmer ofte under en mv. Statisk magnetfelt, magnetisk gradient felt og radiofrekvens energi. En trygg MR prosedyre er ikke mulig. Kraftige magnetfelt industrisveising etc. Permanent skade eller omprogrammering er ikke rapportert.

Pacemakerne kan trigges eller inhiberes evt. Ekte interferens med ICD er er ikke vist. En unipolar elektrode vil fungere som en stor halvsirkelformet antenne med hele elektroden og kannen, mens en bipolar elektrode bare vil ha en antenne mellom elektrodetuppen og proksimale ring, dvs. Pacemakeren fortsetter da i back up mode, dvs. Pacemaker skal skjermes med en god sikkerhetsmargin 10 cm.

Venflon legges i Pacemakerlommen er skravert. Snittet kan legges paral-. Legg en fuktet kompress i lommen. Bruk alternativt snitt som beskrevet over. Dagskonferanse for sykepleiere 2.

I henhold til amerikansk lovgivning kan dette utstyret bare selges av eller etter forordning av en lege. Generelle forhold Del 2: Spesielle forhold Kapittel 4: Frederic Kontny, Volvat Medisinske senter Oslo. ASU-4 alarmsystem Tekniske data: